25 november 2014 | ontwikkelingopinie

België kiest voor landen die door anderen in de steek zijn gelaten

Annuschka Vandewalle en David Verstockt (beiden van de ngo FOS) schreven een Open Brief aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking. Daarin stellen ze zich onder meer vragen over waarom we met de Belgische Ontwikkelingssamenwerking willen focussen op de meest fragiele landen en post-conflictgebieden. Mijn antwoord.

Beste Annuschka en David,

Dank voor jullie open brief.

Jullie hebben inderdaad goed begrepen dat ik de volgende jaren het Belgische ontwikkelingsbeleid over een andere boeg wil gooien. Mijn hoofdbekommernis: betere resultaten op het terrein, meer impact in de landen die onze hulp het best kunnen gebruiken. Dat is niet enkel goed voor de mensen in onze partnerlanden. Betere resultaten verhogen ook het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in eigen land. Ik ben ervan overtuigd dat dit kan wanneer we scherpe keuzes maken.

Armen in middeninkomenslanden

Eén van die keuzes is het concentreren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking op fragiele landen en post-conflictzones. Het is een keuze waar jullie vragen bij stellen. Dat mag. ‘Focus niet op fragiele staten maar op mensen in fragiele leefsituaties’, luidt het. Klinkt lovenswaardig.

Ik begrijp dat jullie aandacht vragen voor de problematiek van middeninkomenslanden aangezien FOS zich in zijn activiteiten vooral op die landen richt. Toch is onze keuze om de gouvernementele samenwerking te richten op fragiele staten en post-conflictzones noodzakelijk en strategisch weloverwogen.

Het is inderdaad zo dat de meest extreme armen niet in de armste landen leven. Andy Sumner toonde twee jaar geleden in zijn paper ‘Where do the Poor Live‘ glashelder aan dat de grootste groep van mensen in armoede niet in de meest fragiele landen, maar wel in middeninkomenslanden leven.

Vaak gaat het om landen met een sterke bevolkingsgroei, door landbouw gedomineerde economieën met een lage productiviteit en beperkingen wat politieke mensenrechten betreft. Eén derde van alle mensen in armoede zit trouwens geconcentreerd in één land: India.

Fragiel en vergeten

De aandacht voor armoede en ongelijkheid in middeninkomenslanden heeft jammer genoeg weinig beterschap gebracht voor de situatie van de allerarmsten in de minst ontwikkeld landen. Integendeel.

Ik stel vast dat de laatste jaren de hulp aan de minst ontwikkelde landen niet stijgt, maar daalt. Bedroevend, zeker als je weet dat net deze landen zeer hulpafhankelijk zijn en weinig toegang hebben tot andere externe financieringsbronnen voor hun ontwikkeling.

Het aandeel van de middeninkomenslanden in de officiële ontwikkelingshulp daarentegen is de voorbije jaren stelselmatig aan het stijgen. Bovendien kunnen middeninkomenslanden hun ontwikkeling ook veel makkelijker met andere middelen financieren. Denk aan commerciële leningen, buitenlandse investeringen, remittances, eigen fiscale inkomsten, enzovoort.

In de fragiele landen evolueert de situatie minder gunstig. In deze landen werd sinds hun ontstaan, meer dan een decennium geleden, het minste vooruitgang geboekt op de millenniumontwikkelingsdoelstellingen.

De vooruitgang is zelfs zo beperkt dat volgens het 2014 Fragile States Report van de OESO-DAC tegen 2018 de helft van alle armen opnieuw in de minst ontwikkelde landen zullen leven. Ook het Overseas Development Institute berekende dat over tien jaar de allerarmsten zich opnieuw in de minst ontwikkelde landen zullen concentreren, een analyse die bevestigd wordt in het Global Monitoring Report 2014/15 van de Wereldbank. Zonder bijkomende inspanningen zullen tegen 2030 tachtig procent van de allerarmsten in sub-Saharaans Afrika wonen.

Een inkomensverschil van 97 procent

Dat betekent niet dat de status van middeninkomensland je als land plots rijk maakt. Een gemiddeld inkomen verdienen van meer dan 2 USD per dag of 60 USD per maand maakt arme mensen niet meteen lid van een florerende middenklasse. Toch zijn er verschillen met de minst ontwikkelde en fragiele landen waarop ik wens in te zetten. Laat ons de, weliswaar gemiddelde, situatie van een inwoner van twee van onze partnerlanden vergelijken (maak gerust zelf de vergelijking op www.ifitweremyhome.com: Burundi en Peru.

Het is inderdaad zo dat de GINI-index aangeeft dat de ongelijkheid tussen arm en rijk in Burundi minder groot is dan in Peru. Maar het BNP per capita ligt in Peru wel bijna 30 keer hoger dan in Burundi. Dat laat zich ook voelen op andere domeinen.

Een Burundees heeft 2,3 meer kans om te sterven bij zijn of haar geboorte dan een Peruviaan en vier keer meer kans om besmet te raken met HIV/aids. Als Burundees moet je verder met de wetenschap dat je tijdens je leven 97 procent minder zal verdienen dan je Peruviaanse evenknie, terwijl de Burundese overheid 90 procent minder aan je gezondheid zal spenderen dan de regering van Peru. Een vrouw in Bujumbura zal 12,74 jaar vroeger sterven dan in pakweg Lima.

Het enige min of meer positieve nieuws is dat je in Burundi 94, 32 procent minder olie en 98,69 procent minder elektriciteit gebruikt dan in Peru. Hoewel, een voordeel? Het is gewoon het gevolg van minder auto’s, een zwak industrieel weefsel en een gebrek aan een goed functionerend elektriciteitsnetwerk.

De cijfers hierboven zijn gemiddelden, maar ze geven zeer goed aan dat de ontwikkelingsuitdagingen van een andere omvang zijn in Burundi dan in Peru. Meteen moeten we er ook bij zeggen dat de meeste middeninkomenslanden wel degelijk zelf de middelen hebben om vooruit te gaan. Ze zijn in die zin zelfredzaam.

Als ze 1 procent van hun BNI zouden spenderen aan de allerarmsten in eigen land dan zouden ze er iedereen uit de armoede kunnen halen. Het is volgens mij niet de bedoeling dat wij als klein land met de beperkte middelen die we hebben de verantwoordelijkheden overnemen die deze landen zelf kunnen opnemen.

Ieder zijn rol en meerwaarde

Overigens, een sterkere focus van onze gouvernementele samenwerking op fragiele landen en post-conflictzones betekent niet dat we onze ogen sluiten voor de problematiek van ongelijkheid en armoede in middeninkomenslanden. Integendeel.

We moeten als Belgische ontwikkelingssamenwerking de ambitie hebben om voor elk land de best mogelijke actoren te mobiliseren om op het terrein het verschil te maken. In middeninkomenslanden zijn niet-gouvernementele Belgische actoren vaak beter geplaatst dan de gouvernementele samenwerking om in te zetten op sociale ongelijkheid en mensenrechten. De lokale civiele maatschappij rekent ook in een exit-scenario op de blijvende betrokkenheid en het werk van Belgische NGO’s.

Het is niet mijn bedoeling dit onmogelijk te maken maar net te faciliteren. Dit veronderstelt wel dat de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking klaar zijn deze nieuwe uitdagingen aan te gaan en zich inschrijven in een ontwikkelingsbeleid dat zich kenmerkt door goed bestuur, een sterke empirische onderbouw en dat geleerde lessen omzet in tastbare en meetbare vooruitgang op het terrein.

Door te focussen op fragiele landen en post-conflictzones, kiest ons land niet voor de makkelijkste weg. Het is geen negatieve keuze waarbij we onze ogen sluiten voor de problematiek van ongelijkheid en armoede in middeninkomenslanden.

Het is een positieve keuze waarbij we willen focussen op landen die door anderen meer en meer in de steek worden gelaten. Wij willen met onze gouvernementele samenwerking inzetten daar waar de noden het hoogst zijn en de beschikbare middelen heel erg beperkt. Ik durf die keuze te verdedigen. Voluit.

Met welgemeende groeten,

Alexander De Croo, Vicepremier en minister van Ontwikkelingssamenwerking