24 januari 2013 | europain de persopinievicepremier

Europaspeech David Cameron: Angst is nooit een goede raadgever #demorgen

De Morgen, 24 jan 2013 – Lang verwacht en stil gezwegen, nooit gedacht maar toch gekregen: de Europa-speech van David Cameron. Hiermee treedt hij in de voetsporen van zijn voorgangers. Alleen formuleerden zij hun Europese visie in het hol van de leeuw, in ons land. Margaret Thatcher sprak het Europa College in Brugge toe, John Major koos Brussel en Tony Blair Gent. Cameron is dus de eerste Britse premier sinds lang die zijn visie op onze Unie niet in België uiteenzet, ook niet in Nederland zoals eerst gepland, maar gewoon in zijn thuisland. Het bleek helaas al te tekenend voor de inhoud van zijn toespraak.

De PM, zoals de Britten hun premier afkorten, gelooft nochtans in zaken waar ook liberalen in geloven: een flexibele arbeidsmarkt, lage belastingen en publieke financiën in evenwicht. Kortom, Cameron wil net als wij een competitieve Europese economie. Alleen gelooft hij dat hiervoor geen verdere Europese integratie nodig is. Dat is op meer dan één manier fout.

Om te beginnen vindt Cameron dat een eengemaakte markt volstaat om een competitieve Europese economie te creëren. Andere vormen van integratie “trekken ons naar beneden” vindt hij. Terwijl fiscaliteit en parafiscaliteit een cruciaal onderdeel zijn van een gelijk speelveld tussen Europese ondernemingen. Dit gaat veel verder dan een eengemaakte markt. De Britse premier maakt zich ook zorgen over het verlies van Europees aandeel in de wereldmarkt. Is het antwoord dan niet om de 27 nationale exportagentschappen die onze unie rijk is stap voor stap te vervangen door één Europese exportbank? Per slot van rekening is er ook maar één US Export Import Bank en – u raadt het al – één China ExIm Bank. Wie wereldwijde invloed wil hebben – of dat nu economisch of politiek is – moet aan hetzelfde zeel trekken en één blok te vormen.

Dat brengt ons bij de tweede denkfout van Cameron: “De EU moet kunnen handelen met de flexibiliteit van een netwerk, niet de lastige rigiditeit van een blok”. Het klinkt mooi, maar hij zet met deze metafoor de wereld op zijn kop. Het Europese netwerk waar hij op doelt zijn de 27 staats- en regeringsleiders die regelmatig samenkomen maar zelden tot krachtdadige beslissingen komen. Daar is niets flexibels aan. Het is een geldvretende, logge machine die we moeten afbouwen terwijl we het Europese blok en haar democratische legitimiteit versterken. Meer macht voor het rechtstreeks verkozen Europees Parlement, een Europese Commissie die functioneeert als een echte regering. Minder horse trading tussen de grote Europese landen.

Volgens de PM is hiervoor geen democratisch draagvlak bij de bevolking: “De nationale parlementen zijn en blijven de ware bron van democratische legitimiteit van de EU.” Als Cameron eerlijk is, geeft hij toe dat de Britten net zo min warm lopen voor Whitehall als voor Brussels. De Schotten al helemaal niet. Net zomin als de meeste Amerikanen plots smelten wanneer ze de naam Washington DC horen. Het heeft hen er echter niet van weerhouden om – tegen enorme weerstand van de zuiderlingen in – hun confederatie om te bouwen tot een federale staat. En dat in een tijdperk toen er nog iets te zeggen viel voor de soevereiniteit van individuele staten.

De grootste barst in Camerons betoog zit echter ook het diepst en is het minst zichtbaar. Bewust of onbewust speelt hij “de Nederlandse ondernemer, Duitse arbeider en Britse familie” uit tegen “de mensen die gefrustreerd zijn over de opgelegde besparingen” (versta: de Zuid-Europeanen). Zo tovert hij twee Europa’s uit zijn bowler hat alsof hij een voorbestemdheid wil oproepen: Noord-Europeanen, dat zijn harde werkers terwijl de Zuid-Europeanen in hun hangmat liggen. Met alle respect voor het Britse zelfbeeld, maar in de North East kunnen ze nog iets leren van Lombardije.

Het is ook het ultiem zwaktebod: samenwerken met wie al overtuigd is. Dat heeft niets te maken met solidariteit en evenmin met discipline. Ik geloof in het nut van de liberale recepten voor iedereen: Britten, Belgen én Grieken. Meer zelfs: we hebben er alle belang bij om de Grieken en Spanjaarden ervan te overtuigen hun arbeidsmarkt en belastingen te hervormen. Een sterk en competitief Griekenland is een potentiële afzetmarkt voor onze goederen en diensten. In dat opzicht heeft een illustere voorganger van Cameron een waardevolle les voor hem. Tony Blair nam afscheid nam van de nationale politiek met de woorden: “We dachten vroeger dat we onze voordeur konden sluiten voor de problemen en conflicten in de wijde wereld. Dat is niet langer het geval: door globalisering, door de klimaatverandering, door georganiseerde misdaad.” Sociale onrust in Spanje. Rellen in Athene. Jeugdwerkloosheid in Ierland. Het zijn sowieso ook onze problemen. Dan kunnen we deze landen maar beter in onze ‘ever closer union’ hebben zodat we invloed op hen kunnen uitoefenen.

Uit Camerons speech sprak vooral loss of empire en veel nostalgie. Ik heb een man gehoord die wel degelijk de deur wil sluiten voor de buitenwereld. Een worstelende PM wiens open economische recepten het moeten afleggen tegen een angstig conservatisme. Angst om stemmen te verliezen aan de UK Independence Party en angst voor de eurosceptische Tories van de Fresh Start Group.

Deze opiniebijdrage verscheen in De Morgen, 24 jan 2013