11 februari 2019 | De eeuw van de vrouw

Zijn de Vlaamse universiteiten mannenbastions?

Hoofdstuk uit ‘De eeuw van de vrouw. Hoe feminisme ook mannen bevrijdt’ (Polis, 2018)

In een experiment dat door de Harvard Business Review werd gepubliceerd, werd de hypothese onderzocht dat vrouwen minder worden bevorderd omdat ze minder netwerken dan mannen. Werknemers kregen sensoren aangebonden die al hun bewegingen registreerden. Bleek dat mannen en vrouwen zich op dezelfde manier gedroegen. Ze ontwikkelden dezelfde werkpatronen en netwerken, onderhielden dezelfde contacten met het topmanagement. Maar de mannen raakten wel vlugger bevorderd. Aangezien dat niets te maken kon hebben met verschillend netwerkgedrag, zo concludeerden de onderzoekers, kon het enkel te maken hebben met vooroordelen en discriminatie. Mannen die mannen steunen. Mannen die mannen verkiezen. En mannen die mannen bevorderen.

Het begint in de studentenclubs en de sportclubs, gaat verder in allerlei serviceclubs, debatclubs en genootschappen en eindigt in de vergaderruimtes waar de beslissingen vallen. Mannen bouwen mannennetwerken uit, old boys networks. De term vindt zijn oorsprong in de wereld van de Britse elitescholen en universiteiten. Eton, Oxford, Cambridge. Mannen creëren daar een netwerk dat ze hun hele verdere carrière onderhouden en waar ze telkens opnieuw beroep op doen, of ze nu in de politiek, de bedrijfswereld, de magistratuur, de overheid of de diplomatie terechtkomen.

Die mannennetwerken zijn springlevend aan de Vlaamse universiteiten. De cijfers spreken voor zich. Meer dan de helft van de universiteitsstudenten is vrouw. Ze behalen 60 procent van de mastertitels. Maar als ze een academische carrière willen uitbouwen, ondervinden ze het glazen plafond aan den lijve.

Het begint al bij het doctoreren. Minder dan de helft van de doctoraatstitels in ons land wordt uitgereikt aan vrouwen. Het wordt erger wanneer je als vrouw het wetenschappelijk onderzoek in wilt. In België is slechts een derde van de onderzoekers vrouw, in Nederland slechts een kwart. Het is een wereldwijd fenomeen. Slechts 17 vrouwen wonnen ooit de Nobelprijs voor de Geneeskunde, Scheikunde of Natuurkunde, tegenover 520 mannen.

En wil je als vrouw een academische loopbaan uitbouwen, dan wordt het bijzonder moeilijk. De academische functies worden in drie categorieën onderverdeeld. De C-posities, dat zijn de doctoraatsassistenten. De B-posities zijn de docenten. De A-posities zijn de hoogleraren. Aan de Vlaamse universiteiten bezetten vrouwen 36 procent van de C-posities, 30 procent van de B-posities en amper 16 procent van de A-posities.

Er is zeker sprake van een glazen plafond in de academische wereld. De Europese Commissie heeft een GCI ontworpen, een Glass Ceiling Index, die het aandeel van vrouwen bij de brede academische bevolking (de A-, B- en C-posities samen) vergelijkt met het aandeel van vrouwen in de academische topposities (de A-posities). Als de GCI lager is dan 1, dan zijn vrouwen beter vertegenwoordigd in de topposities dan in de algemene academische bevolking. In de Europese Unie is dat alleen in Malta het geval.

In alle andere lidstaten ligt de GCI boven de 1. Dat betekent dat vrouwen moeilijker doorstoten tot de academische topfuncties, die van hoogleraar. Met een GCI van 1,95 was het in 2013 voor vrouwen aan Belgische universiteiten bijna tweemaal zo moeilijk om het tot hoogleraar te brengen dan voor mannen.

De universiteiten zullen een grote inspanning moeten leveren om deze academische genderkloof weg te werken, vooral op het hoogste niveau. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat hier een onmiskenbaar generatie-effect speelt. Er zitten beduidend meer vrouwelijke hoogleraren in de leeftijdsgroep onder de 45 jaar dan daarboven. Maar het is verkeerd om daaruit af te leiden dat het wel vanzelf in orde komt met die academische genderkloof. Hoogleraren blijven lang op hun post, soms tot hun zeventigste. En mannen benoemen vooral mannen, dat weten we ondertussen.

Waartoe dat kan leiden, dat zien we bij de rectoren en de decanen. Op dit ogenblik is slechts één op de vijf Vlaamse rectoren een vrouw, Caroline Pauwels, waardoor mijn alma mater, de Vrije Universiteit Brussel, al voor de tweede keer door een vrouw wordt geleid.

Laten we even over het muurtje kijken. In Franstalig België heeft geen enkele van de zes universiteiten een vrouwelijke rector. In Nederland twee van de veertien. Maar in Zweden wordt de helft van de universiteiten geleid door een vrouw.

Eén vrouwelijke rector voor de vijf Vlaamse universiteiten, dat is niet echt schitterend. Maar ronduit schandalig wordt het wanneer we naar de decanen kijken, de hoofden van de verschillende faculteiten van een universiteit. In het academiejaar 2017-2018 telden de vijf Vlaamse universiteiten samen 49 decanen. Slechts vier van hen waren vrouwen. Vier! De universiteiten van Gent en van Hasselt telden zelfs geen enkele vrouwelijke decaan in hun rangen. Zowel in Brussel als in Antwerpen loopt welgeteld één vrouwelijke decaan rond. In Leuven twee.

UGent voelde zich blijkbaar beschaamd en verkoos voor volgend academiejaar drie vrouwelijke decanen op de elf. Nadat deze universiteit achttien jaar lang geen enkele vrouwelijke decaan had geteld.

Ik vind dit echt niet kunnen. Universiteiten moeten voorlopers zijn van maatschappelijke vooruitgang. Conform de universitas-gedachte moeten het plaatsen zijn waar gangbare tradities en normen ter discussie worden gesteld in plaats van bevestigd. Universiteiten zouden een baken van gendergelijkheid moeten zijn, maar het blijven mannenbastions.

Hoofdstuk uit ‘De eeuw van de vrouw. Hoe feminisme ook mannen bevrijdt‘ (Polis, 2018)